Fenelab
Bent u lid? Login
Wachtwoord vergeten?

Geaccrediteerde laboratoria in de bouw

Geaccrediteerde laboratoria in de bouw

Incidenten zoals rond de Heerlense parkeergarage 't Loon zijn volgens wetenschappers uitzonderingen die de regel bevestigen: kwalitatief staat de Nederlandse bouw op een hoog peil. Het bestaan van een hele infrastructuur aan geaccrediteerde laboratoria speelt hierbij een zeer belangrijke rol. Ook meer procesbeheersing en standaardisering zijn van belang.

De verzakking in Heerlen heeft een unieke oorzaak, maar staat niet op zichzelf. Een recent TNO-rapport noemt meer incidenten en bijna-incidenten die zich sinds 2002 hebben voorgedaan. Hoeveel het er echt zijn, is niet bekend. Bij een meldpunt dat in 2008 werd ingesteld kwamen minder meldingen binnen dan verwacht, mogelijk door onbekendheid. Mede daardoor kan TNO geen uitspraken doen over trends. Voor incidenten die groot genoeg waren om de pers te halen, geldt dat ze erg divers zijn. In 2003 kwam een echtpaar in Maastricht om het leven doordat hun balkon losliet; in mei van dit jaar liep het instorten van een galerij van een Leeuwardense flat beter af. Eveneens in 2003 liep een deel van Wilnis onder toen een dijkstuk verschoof. In 2006 dreigde instorting van een complex in de Amsterdamse wijk Bos en Lommer. In 2009 kwamen op- en afritten van de Vlaketunnel vijftien centimeter omhoog, waardoor de A58 tijdelijk moest worden stilgelegd.
Het lijstje is niet compleet. Toch staat de kwaliteit van de Nederlandse bouw, samen met de Duitse, aan de wereldtop, vindt prof.dr.ir. Hennes de Ridder, hoogleraar Bouwprocessen aan de TU Delft. En die is toch echt niet kritiekloos: De Ridder meent dat het bouwproces toe is aan een rationalisatieslag die keurmerken, attesten en geaccrediteerde onderzoeksinstellingen een nog veel prominentere rol zal geven dan ze nu al hebben. Eén van de redenen daarvoor is dat de veiligheid, die volgens hem wel degelijk op een hoog peil staat, voor een deel bereikt wordt door 'overdimensionering': om maar goed te zitten, wordt er volgens hem tot twee keer zoveel materiaal gebruikt als nodig zou zijn.

Vaste grond

Nu ontbreekt het niet aan betrouwbare laboratoria die de afnemers van bouwproducten vaste grond onder de voeten geven over kwaliteit en betrouwbaarheid. Ze zijn er zelfs volop, al verschilt het aanbod per bouwdiscipline.
De geotechniek is een domein waarin veel unieke problemen opduiken die niet zo makkelijk in modellen te vangen zijn, legt prof. dr. ir. Frans Barends uit. Na zijn emeritaat, in 2010, bleef hij actief voor Deltares, een kennisinstituut waarin veel gerenommeerde labs zijn opgegaan, waaronder delen van TNO en Rijkswaterstaat. Het gedrag van veengrond noemt Barends als voorbeeld van een fenomeen waar we nog steeds niet alles van weten. 'Wat er gebeurde met die dijk in Wilnis was iets wat we toen nog niet kenden. Aan de andere kant is veengrond soms juist weer sterker dan je zou denken, waardoor diepgaand onderzoek soms miljoenen aan investeringen kan besparen.'
Ook wat er gebeurde met de Vlaketunnel bleek niet zo makkelijk te begrijpen. Alles leek naar behoren verankerd en lag er al sinds de jaren zeventig stabiel bij. Tot de boel ineens omhoog kwam zetten.
Omdat de Nederlandse bodem de wetenschap voor verrassingen blijft stellen, is in dit kennisdomein een relatief beperkte rol weggelegd voor commerciële laboratoria die goed zijn in standaardonderzoek. Zulke laboratoria bestaan wel, ook in de geotechniek. Deze laboratoria zijn geaccrediteerd en staan goed aangeschreven. Barends: 'Accreditatie is echt iets waarop zulke laboratoria zich kunnen laten voorstaan. Maar hun rol is in mijn vakgebied beperkter dan in bijvoorbeeld het milieukundige bodem-, water- en luchtonderzoek, dat vaker een standaardkarakter heeft. Daar zie je veel méér laboratoria, grote maar ook kleine, die commercieel opereren maar wel geaccrediteerd zijn.'

Concurrentie

Chris Geurts is hoogleraar 'Technology of the Building Envelope' aan de faculteit Bouwkunde van de TU Eindhoven. Daarnaast werkt hij voor TNO. Geurts onderzoekt het gedrag van de 'buitenschil' van gebouwen, onder andere de invloed daarop van het klimaat. Hij onderschrijft dat er in zijn vakgebied veel goede particuliere laboratoria zijn. In sommige gevallen zelfs een overschot: 'Als iedereen de kennis beheerst, en de normen bekend zijn, krijg je een situatie waarin veel partijen dezelfde tests aanbieden. Innovatie zou daarop het antwoord moeten zijn, maar dat blijft wel eens achterwege. Het probleem is een beetje: wie is bereid om voor innovatie te betalen? Zelfs laboratoria van onderzoeksinstellingen en universiteiten maken steeds vaker die afweging, want die moeten ook het hoofd boven water houden. En dat betekent dat ze vrij automatisch onder een zekere druk komen te staan om óók meer standaardonderzoek te doen.'
'Toch worden de particuliere labs op mijn vakgebied ook echt niet voorbijgelopen, er wordt zelfs een groot appèl op ze gedaan. Veel van die labs zijn verbonden aan adviesbureaus. Neem maar gerust aan dat die allemaal geaccrediteerd zijn, want dat is in mijn sector eigenlijk een must, vanwege het Bouwbesluit, KOMO, CE-markering en dergelijke. Maar dat de concurrentie verhevigt, begin je wel te merken. KIWA, op mijn gebied een vooraanstaand lab, trekt de laatste tijd links en rechts kleinere laboratoria naar zich toe. Je zal zien dat daar een efficiencyslag op zal volgen.'

Klein hoekje

Het belang van geaccrediteerde laboratoria voor de bouwsector is, voor zover valt na te gaan, onomstreden. Professor De Ridder, die zelf gewerkt heeft in de burgerlijke en utiliteitsbouw, vindt zelfs dat incidenten dat belang alleen maar onderstrepen. De meeste vinden hun oorsprong namelijk niet in de onderzoeks- of ontwerpfase, maar in de uitvoering. Het is die fase waarin zelfs de grootste ongelukken letterlijk in een klein hoekje zitten.
'Beton is een materiaal met bekende en gecontroleerde eigenschappen', zegt De Ridder. 'Je weet hoeveel je ervan nodig hebt, en je weet welke kwaliteit je koopt. Dat is allemaal onder controle. Maar je moet het wél laten uitharden, en dat gebeurt niet altijd, zoals is vastgesteld. Veel uitvoerenden in de bouw overzien het geheel niet. Vooral blunders met wapening komen veel voor. Dankzij oplettende opzichters gaat het meestal goed.' Maar niet altijd: 'In 1991 ging voor Stavanger het offshoreplatform Sleipner A verloren. De constructie rustte op een betonnen cilinder die wegens zijn ronde vorm lastig te bekisten was. De makers, zo bleek uit het onderzoek, hadden besloten om die vorm op te bouwen uit allemaal driehoekjes. Als ze hem echt rond hadden gemaakt, was een drukboog ontstaan die geen wapening behoefde. Nu klapte de zaak onder druk uit elkaar. Kostte anderhalf miljard gulden.'

Hoofdpijn

Het is een extreem voorbeeld, maar volgens De Ridder illustreert het zijn stelling dat de hele bouwketen zich nog in een 'pre-industriële en preconcurrentiële fase' bevindt waarin er - helaas, vindt hij - een grens is aan wat je kunt certificeren en accrediteren. 'Elk gebouw is een nieuw project. Als dat met auto's en vliegtuigen ook zo was, zouden die veel meer slachtoffers eisen.' Een gebouw is een complex product, zo gaat hij verder, waarvan net als bij auto's en vliegtuigen vast zou moeten staan dat het afgewerkte geheel een voorspelbaar gedrag vertoont. Dat zou je moeten kunnen certificeren, en daarbij zouden geaccrediteerde laboratoria nog veel meer nut kunnen afwerpen dan nu. Maar certificeren gebeurt nu alleen per onderdeel; hoe het complete gebouw zal presteren, is niet vast te stellen. 'Die energielabels die ze nu aan gebouwen verlenen, berusten die op gevalideerde procedures? Nee dus, dat is allemaal alleen maar berekend, niet getest. Op zichzelf zijn zulke tests wel mogelijk, en daar hebben wij ook laboratoria voor. Maar die staan leeg. Alleen afnemers als Rijkswaterstaat doen er een beroep op. Maar eigenlijk is het te gek dat de koper zulk onderzoek moet laten doen, in plaats van de leverancier. De meeste afnemers doen dat ook niet. En zo komt het dat ontelbaar veel mensen hun dagen doorbrengen in een sick building. Ik zelf ook.'

Lego-isering

De oplossing zoekt De Ridder in vergaande standaardisatie van modules die uit een catalogus gekocht kunnen worden en tot de meest diverse gebouwen kunnen worden samengesteld. Lego-isering is het woord dat hij ervoor gebruikt. Dat is ook de titel van het boek dat hij er in november 2011 over presenteerde. Die onderdelen en modules zijn allemaal te verwisselen, als voortschrijdende eisen en technologische mogelijkheden daarom vragen.
Hoe het gehele bouwwerk zélf te certificeren valt, daar moet volgens De Ridder verder over worden nagedacht. Maar dat is dan in elk geval een stap die binnen bereik komt. 'De scheepsbouw heeft die ontwikkeling al doorgemaakt. De gewone bouw moet volgen.'
Dat dit visoenen oproept van vergaande standaardisatie is niet iets wat De Ridder van zijn stuk brengt. Alles beter dan 'dat ambachtelijke gepruts', zoals hij het noemt. 'In de huidige bouw wordt gehakt en gebeiteld, gepurd, geschuurd en gelast, geplamuurd en gestuukt en gespijkerd en geschroefd en gesoldeerd, en zo kan ik nog wel even doorgaan. Daarbij worden fouten gemaakt. Als er ook maar iets wordt veranderd, ben je gelijk weken verder. En over dertig jaar wordt er weer puin van gemaakt. Wat een verspilling allemaal.'

Wat is accreditatie?

Accreditatie is een onafhankelijk keurmerk waaruit blijkt dat een instelling volgens professionele normen (in het geval van laboratoria zijn dat wetenschappelijke normen) te werk gaat en ook qua gedrag boven twijfel verheven is. In het algemeen geldt dat accreditatie een waarborg is voor de deugdelijkheid van werkwijzen en processen. Het begrip moet niet verward worden met certificatie, waarmee wordt uitgedrukt dat bepaalde producten en diensten aan vooraf bepaalde specificaties voldoen.
Het proces van accreditatie, dat in het geval van laboratoria is toevertrouwd aan Fenelab, staat onder toezicht van de Raad voor Accreditatie, een zelfstandig bestuursorgaan (ZBO).

« overzicht