Fenelab
Bent u lid? Login

Suggesties of vragen

Heeft u vragen of suggesties neem contact op met Fenelab.

secretariaat@fenelab.nl

Arbeidshygiënische strategie

Bij het werken met gevaarlijke stoffen mag de blootstelling de grenswaarde niet overschrijden. De gezondheid van werknemers mag geen gevaar lopen. Het Arbobesluit (artikel 4.4) vereist doeltreffende maatregelen bij (kans op) overschrijding van de grenswaarde. Onderscheid wordt gemaakt in technische maatregelen en organisatorische maatregelen. Technische maatregelen zijn bijvoorbeeld het vervangen van een gevaarlijke stof door een minder gevaarlijke, afscherming van de bron, ventilatie en het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen. Het uitvoeren van sommige werkzaamheden door speciaal opgeleid personeel in een aparte ruimte is een voorbeeld van een organisatorische maatregel om de blootstelling te beperken.

Het Arbobesluit (artikel 4.4) vereist dat maatregelen zo dicht mogelijk bij de bron worden genomen. De voorkeur gaat uit naar het vervangen van een gevaarlijke stof of handeling. Maatregelen aan de bron zijn het meest effectief bij het beheersen van de blootstelling voor zo veel mogelijk werknemers.
Deze voorkeursvolgorde is vastgelegd in de arbeidshygiënische strategie. Deze strategie kent de volgende niveaus:

  1. Voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen door vervanging van deze stoffen bij de bron.
  2. Voorkomen van vrijkomen van gevaarlijke stoffen.
  3. Treffen van collectieve beschermingsmaatregelen bij de bron of organisatorische maatregelen (bijv. afvoeren van de verontreinigde lucht).
  4. Ter beschikking stellen van persoonlijke beschermingsmiddelen en beperken van de duur van het dragen ervan.

Als eerste moet de werkgever maatregelen nemen op het eerste niveau. Als dat redelijkerwijs niet mogelijk is, dient hij maatregelen van het tweede niveau te nemen. Als dat redelijkerwijs ook niet mogelijk is, zijn maatregelen van het volgende niveau verplicht, enzovoort.
De afweging voor het niveau van de maatregelen is gebaseerd op de term ‘redelijkerwijs’. De uiterste maatregel bij het voorkomen van de blootstelling is altijd het niet werken met de stof. Dit is zeker niet altijd redelijk. De werkgever kan bij het nemen van een maatregel afwegen in hoeverre dit redelijk is.

Bij het redelijkerwijscriterium gelden de volgende overwegingen:

  • De ernst van de blootstelling. Zo moeten bronmaatregelen bij zeer vergiftige stoffen eerder worden genomen dan bij minder vergiftige stoffen.
  • De technische haalbaarheid. Zo moet de te kiezen maatregel verkrijgbaar zijn. De werkgever hoeft geen ontwikkelingsopdrachten uit te voeren.
  • De economische haalbaarheid. De kosten van de maatregel moeten in verhouding staan tot het effect ervan. Hierbij wordt veelal een vergelijking gemaakt met de maatregelen bij vergelijkbare werkzaamheden in andere bedrijven of organisaties. Als een werkgever een maatregel niet onmiddellijk kan bekostigen, moet hij een plan maken dat in een aantal jaren wordt uitgevoerd.

Voor een aantal groepen van stoffen geldt dit redelijkerwijscriterium niet. Zo geldt bij het werken met kankerverwekkende stoffen altijd een vervangingsplicht (Arbobesluit artikel 4.17). Alleen als vervanging van een kankerverwekkende stof technisch niet mogelijk is, moet een werkgever maatregelen van een lager niveau treffen (Arbobesluit artikel 4.18).
Ook zijn de maatregelen voor bijvoorbeeld het werken met asbest of vluchtige organische stoffen strikt vastgelegd in het Arbobesluit en lagere regelgeving. Voor bijvoorbeeld verven en lijmen geldt een vervangingsplicht van producten met een hoog gehalte aan organische oplosmiddelen in binnensituaties.