Fenelab
Bent u lid? Login

Suggesties of vragen

Heeft u vragen of suggesties neem contact op met Fenelab.

secretariaat@fenelab.nl

Het afvoeren van de verontreinigde lucht

Gassen en dampen verspreiden zich snel in een ruimte. Ook fijn stof en aerosolen (zeer kleine vloeistofdruppeltjes of vaste deeltjes zwevend in de lucht) kunnen de lucht verontreinigen. Met gerichte afzuiging en ventilatie kan de concentratie van deze verontreiniging worden verlaagd.

Puntafzuiging
Met puntafzuiging kunnen gassen, dampen, fijn stof en aerosolen zo dicht mogelijk bij de bron worden verwijderd. De puntafzuiging zit tussen de plaats waar de stof vrijkomt en de plek waar de werknemer inademt. De luchtstroom kan verstoord worden door snelle bewegingen en warmtebronnen. Ook zijn de meeste gassen en dampen zwaarder dan lucht, zodat deze bij voorkeur naar beneden uitzakken. Om deze verstoringen te voorkomen, geldt als vuistregel dat de afstand tussen de bron en de puntafzuiging maximaal eenmaal de diameter van de opening van de puntafzuiging mag zijn.

Zuurkasten

In laboratoria gebruikt men zuurkasten. Een zuurkast is een afgezogen werkplek, waarbij de bron van de stoffen in de kast staat en de werknemer erbuiten. Een ruit beschermt tegen spatten. Zie “Zuurkast” voor details.

Andere afzuigsystemen
Naast zuurkasten zijn er ook andere kasten die gebruik maken van het principe dat de lucht wordt afgevoerd op de plek waar wordt gewerkt.

  • Afzuigkappen: hier dient de luchtstroom naar de kap de natuurlijke stroming te versterken. Naarmate de afstand van de afzuigkap tot de emissiebron toeneemt, neemt de effectiviteit ervan af. De kans op verspreiding van de afgezogen stoffen is in het algemeen groter dan bij andere systemen.
  • LAF-kasten: dit zijn Laminair Air Flow kasten waarbij gewone lucht wordt aangezogen dat via een gewoon filter en vervolgens een HEPA filter horizontaal de kast ingeblazen wordt. Hier is een onderscheid te maken in de cross-flow of horizontale airflowkasten (waarbij de lucht naar de bereider wordt toegeblazen) en de down-flow of verticale airflowkasten (waarbij de lucht van boven naar beneden wordt geblazen). Voor het werken met gevaarlijke stoffen is de down-flow kast het meest geschikt. Voor beide typen kasten geldt dat het belangrijk is te weten hoe de luchtstroom precies loopt en de gebruikte middelen zo te positioneren dat het de luchtstroom zo min mogelijk beïnvloedt. Het onderhoud kent in ieder geval een regelmatige check en vervanging van de filters.
  • Veiligheidskabinetten: dit zijn vaak microbiologische veiligheidskabinetten om de risico’s van het werken met biologische agentia te beheersen. Er zijn drie klassen veiligheidskabinetten (I, II en III) die beschermen voor risiconiveaus 1 tot en met 4. Een zogenaamd klasse-II-kabinet beschermt bij juist gebruik niet alleen de (kwetsbare) micro-organismen via een verticale luchtstroom maar ook de werknemer via de weggezogen luchtstroom aan de voor- en achterzijde van het werkblad. Een klasse III-kabinet is een volledig van de werkruimte afgesloten kabinet waarin met speciale vooraf geïnstalleerde handschoenen gewerkt wordt om de scheiding volledig te laten zijn. Er worden strenge eisen gesteld aan de gescheiden plaatsing van deze werkplekken ten opzichte van andere werkzaamheden, de luchtstromen in de werkruimte en de wijze van onderhoud ervan.

Ruimteventilatie
Ook kan de gehele ruimte worden geventileerd. Dit wordt ruimteventilatie genoemd. Elke ruimte waar blootstelling aan gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, moet worden geventileerd. Dit voorkomt dat de concentratie aan stoffen zich ophoopt. Het voorkomt de blootstelling van de werknemers echter niet. De werknemers staan namelijk meestal dicht bij de bron en ademen de stoffen in.

Het aantal malen dat de lucht in de ruimte per uur wordt ververst, wordt het ventilatievoud genoemd. Het ventilatievoud moet tussen de 4 en de 10 liggen bij het werken met deze gevaarlijke stoffen. Hoe hoger het ventilatievoud, hoe lager de concentratie van de verontreinigende stoffen in de lucht zal zijn.

Een te hoog ventilatievoud heeft ook nadelen:

  • De kans is groot dat er tussen de inlaat en het afzuigpunt een sterke luchtstroom ontstaat, terwijl er elders in de ruimte dode hoeken blijven. In deze dode hoeken is de ventilatie minimaal en blijft de verontreinigde lucht hangen.
  • Het vereist ventilatoren met een hoge capaciteit. Dit kost dus veel energie. Ook de leidingen waardoor de lucht wordt afgezogen, moeten groot zijn en nemen dus veel ruimte in het gebouw in beslag. Bij te kleine leidingen ontstaat er door resonantie geluidshinder.

Alle lucht die wordt afgezogen, zal ook moeten worden aangevoerd. Deze nieuwe lucht komt meestal van buiten en moet worden opgewarmd. Dit opwarmen kost veel energie.

Volgens PGS 15 (Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen) moet een opslagvoorziening van gevaarlijke stoffen die onder de werking van deze wet- en regelgeving vallen, doelmatig zijn geventileerd en moet afvoer van ventilatielucht op de buitenlucht plaatsvinden. Indien natuurlijke ventilatie op de buitenlucht aanwezig is, moeten ventilatieopeningen zo ver mogelijk van elkaar (diametraal) zijn aangebracht. De ventilatie moet continu zijn en een minimale verversing van 1x per uur bedragen. Een grotere ventilatievoud kan noodzakelijk zijn, afhankelijk van de gevaarsaspecten van de opgeslagen stoffen (explosieveiligheid / arbeidshygiënische omstandigheden). Er kunnen vlamkerende roosters zijn aangebracht in de ventilatievoorziening.

Ventilatie heeft ten doel te voorkomen dat door een lekkage anders dan ten gevolge van een calamiteit, een explosief damp/luchtmengsel ontstaat. Zoneklassen en zoneafmetingen worden mede bepaald door het ventilatieontwerp (zie NPR 7910-1). Tevens heeft ventilatie ten doel schadelijke of hinderlijke gassen of dampen af te voeren (arbeidshygiënische aspecten). In hoeverre er sprake is van schadelijke of hinderlijke dampen kan bepaald worden met behulp van de RI&E. De gevaarseigenschappen van de opgeslagen stof(fen) moeten hierbij nadrukkelijk betrokken worden. Afhankelijk van de uitkomst dient doelmatige ventilatie aangebracht te worden.

Brandveiligheidsopslagkasten zijn kasten die gedurende een bepaalde tijd brandveilig materiaal kunnen opslaan. Deze kasten moeten volgens PGS 15 Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen) voldoen aan NEN-EN-14470-1 (als het eerste gebruik heeft plaatsgevonden na 1 januari 2006). Een brandveiligheidsopslagkast waarvan het eerste gebruik dateert van vóór die datum moet ten minste voldoen aan NEN 2678. De brandwerendheid kent 4 categorieën, te weten 15, 30, 60 en 90 minuten. Afhankelijk van de toepassing van een brandveiligheidsopslagkast moet gekozen worden voor een bepaalde veiligheidsklasse (30, 60 of 90). Voor de opslag van gevaarlijke stoffen die onder PGS 15 vallen is het type met 15 minuten brandwerendheid niet geschikt. Zowel voor de gebruiker als voor de toezichthoudende instanties moet duidelijk zichtbaar zijn aan welke brandveiligheidsnorm de kast voldoet alsook aan welke prestatie.

Gasflessen (gascilinders) als specifieke vorm van opslag van stoffen worden veelvuldig gebruikt in laboratoria. Het betreft metalen vaten onder druk (maximaal 25 MPa; ca. 250 bar) met een inwendig volume tussen 0,1 en 150 liter. Gasflessen bevatten een gas onder druk of een tot vloeistof verdicht gas. Gasflessen worden bij voorkeur buiten het laboratorium opgesteld. De flessen worden altijd vast opgesteld met een beugel of ketting en zijn zodanig opgesteld dat de temperatuur niet boven 45 ˚C of onder -20 ˚C kan komen.
Het aantal gasflessen in het laboratorium wordt zoveel mogelijk beperkt, bijvoorbeeld door gebruik te maken van distributienetten. De gassen worden vanaf de flessen naar de werkruimte geleid met behulp van vaste metalen leidingen met zo weinig mogelijk koppelingen.
Als opstelling van gasflessen buiten het gebouw niet mogelijk is, wordt extra ruimte gereserveerd voor de opstelling binnen het gebouw, bij voorkeur in speciale geventileerde kasten of nissen die brandwerend van de werkruimte zijn gescheiden. Gasflessen in werkruimten hebben een zo klein mogelijke inhoud (bij voorkeur < 5 liter).
Bij centrale opstellingen van meer gasflessen zijn voorzieningen getroffen waarmee de gastoevoer centraal of op afstand kan plaatsvinden.
Een goed werkend registratiesysteem maakt duidelijk waar zich welke gasflessen bevinden. Tevens kunnen de gasflessen op basis hiervan worden gekeurd en indien nodig afgevoerd.
Een groot risico vormt het afbreken of niet goed functioneren van de afsluiter of het reduceerventiel. Dit kan tot het ontsnappen van grote hoeveelheden van een giftig of brandbaar gas leiden. De keuring dient dit ook altijd mee te nemen.
Om veilig met gasflessen te kunnen werken, dienen werknemers hiervoor instructie te ontvangen.

Recirculatie

Naast ventilatie bestaat ook recirculatie. Bij recirculatie wordt de afgezogen lucht gefilterd (meestal met koolfilters) en daarna weer teruggevoerd in de ruimte. Juist bij stoffen die ook in zeer lage hoeveelheden gezondheidsschade kunnen veroorzaken,  wordt bij voorkeur geen recirculatie toegepast. Indien dit toch plaatsvindt, mag de concentratie gevaarlijke stof in de gerecirculeerde lucht maximaal 10 % van de grenswaarde bedragen. Het gaat dan om gevaarlijke stoffen met de volgende eigenschappen:

Terug naar Arbeidshygiënische strategie