Fenelab
Bent u lid? Login

Suggesties of vragen

Heeft u vragen of suggesties neem contact op met Fenelab.

secretariaat@fenelab.nl

Beoordelen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen

Verplichting om de blootstelling te beoordelen

De werkgever moet van alle stoffen die schade aan de gezondheid kunnen veroorzaken, een aantal gegevens bijhouden om inzicht te hebben in de aard van de blootstelling. Veel bedrijven gebruiken hiervoor het register Gevaarlijke Stoffen. Dit register was voorheen een op zichzelf staande verplichting, maar in het huidige Arbobesluit is het gekoppeld aan de blootstellingsbeoordeling uit artikel 4.2.

De volgende gegevens moeten schriftelijk worden vastgelegd (artikel 4.2 van het Arbobesluit):
a.  de identiteit van de stof;
b.  de aard van de gevaren;
c.  de wijze van mogelijke blootstelling;
d.  het werk of de werkwijze waarbij de blootstelling plaatsvindt;

Ad a.    Identiteit van de stof
De identiteit van een enkelvoudige of zuivere stof is de chemische naam, of het CAS, catalogus- of EG-nummer van de stof. Het CAS-nummer bestaat voor iedere stof. Het is een nummer dat de Chemical Abstract Services geeft op het moment dat een nieuwe stof wordt ontdekt of gesynthetiseerd. Het catalogusnummer wordt door de Europese Unie toegekend, als de stof is opgenomen in de lijst van geharmoniseerde indeling en etikettering van gevaarlijke stoffen in bijlage 6 van CLB. Het EG-nummer wordt ook door de Europese Unie vastgesteld. Elke stof die binnen de EU wordt geproduceerd of geïmporteerd, heeft een EG-nummer. Voorheen noemde men dit nummer het EINECS-nummer of ELINCS-nummer.
Voor gevaarlijke mengsels van stoffen is het benoemen van de identiteit ingewikkelder. In de eerste plaats moet de handelsnaam worden geregistreerd. Het mengsel bevat een of meer componenten die maken dat het mengsel als gevaarlijk wordt geclassificeerd. Deze componenten moeten ook worden benoemd met hun chemische naam en het gewichtspercentage. Componenten met een gewichtspercentage beneden de 1% mogen worden verwaarloosd, behalve als de componenten zeer dodelijk, giftig, kankerverwekkend, mutageen of reprotoxisch zijn. Dan geldt een ondergrens van 0,1%.

Ad b.    Aard van de gevaren
Voor de benaming van de gevaren van een stof zijn de gevaarspictogrammen en de H-zinnen op het gevaarsetiket van de stof te gebruiken. Daarbij kan worden volstaan met de letteraanduiding voor de symbolen (bijvoorbeeld Xn voor een schadelijke stof) en de nummeraanduiding voor de R-zinnen (bijvoorbeeld R20 voor ‘Schadelijk bij inademing’).

Ad c.    Wijze van blootstelling
De ‘wijze van mogelijke blootstelling’ duidt op de route volgens welke de werknemer wordt blootgesteld: via de ademhaling, via huidopname of door de mond.

De mate en de duur van de blootstelling

De mate en de duur van de blootstelling kunnen worden geschat of gemeten. In beide gevallen is het van belang dat de beoordeling van de mate en de duur van de blootstelling op papier wordt gezet. De werkgever moet een schatting van de blootstelling goed onderbouwen met een kwantitatieve berekening. Ook meetresultaten bij andere, vergelijkbare blootstellingssituaties in het eigen bedrijf of bij andere bedrijven kunnen een basis zijn van een goede schatting.
Een meting moet plaatsvinden volgens een gevalideerde en genormaliseerde methode. Als er geen Nederlandse norm is, kunnen ook buitenlandse methoden worden gebruikt.
Een onderbouwde schatting of een meting dient volgens de methodiek van NEN-EN 689 (Werkplekatmosfeer. Leidraad voor de beoordeling van de blootstelling bij inademing van chemische stoffen voor de vergelijking met de grenswaarden en de meetstrategie NEN-EN 689:1995 NL’) uitgevoerd te worden.

Het bepalen van het risico voor de werknemers
De blootstelling moet worden getoetst aan een (publieke) grenswaarde of, bij het ontbreken daarvan, aan een door de werkgever vastgestelde blootstellingsgrens (private grenswaarde).

Het stellen van prioriteiten in de RIE-tox
De wettelijke verplichting voor de RIE-tox uit het Arbobesluit (artikel 4.2) vereist dat voor alle gevaarlijke stoffen en producten een beoordeling gemaakt moet worden van de risico’s. Dat zal bij laboratoria waar veel stoffen en producten worden gebruikt (bijvoorbeeld meer dan 200, er zijn ook bedrijven met meer dan 10.000 verschillende chemische producten), of waar deze worden toegepast op veel verschillende werkplekken, een enorm karwei zijn.
Daarom is het verstandig om dit karwei op een slimme manier aan te pakken. En dat kan door prioriteiten te stellen: begin met de stoffen die het meest worden gebruikt (bijvoorbeeld de top 10 van de meest gebruikte producten) samen met de stoffen die het grootste risico veroorzaken. Het beginnen met deze stoffen heeft de grootste impact in het bedrijf: met een beoordeling van de werkplekken waar de meest gebruikte stoffen worden toegepast, krijgt het bedrijf inzicht in vrijwel alle belangrijke ‘stoffen’-werkplekken. Ook geldt vrijwel altijd de 80-20-regel: op 20% van de werkplekken wordt met 80% van de stoffen gewerkt; en ook: 20% van de meest gebruikte stoffen zijn verantwoordelijk voor 80% van het totale stoffengebruik.
Door ook de meest risicovolle stoffen te beoordelen, krijg je ook inzicht in de grootste risico’s. Als er grote risico’s aanwezig zijn, zullen beheersmaatregelen genomen moeten worden. Door eerst de meest risicovolle situaties te beschouwen en aan te pakken, zullen – doorgaans – ook de minder risicovolle situaties worden beheerst: de aanpak daarvan is eenvoudiger en je leert hoe het werkt.

Wat zijn de meest risicovolle stoffen?

Een werkgever kan met een overzicht van alle gevaarlijke stoffen en producten aan de hand van de H-zinnen op het etiket vaststellen wat de meest risicovolle stoffen zijn. Er zijn de afgelopen jaren verschillende classificaties gemaakt van H-zinnen. In de Stoffenmanager, ontwikkeld in opdracht van het ministerie van SZW, wordt de volgende classificatie gebruikt.

Tabel: Classificatie van gevaren uit de Stoffenmanager

 Indeling: H-zin: Betekenis:
E – H334
– H340 en H341
– H350
inhalatieallergeen
mutageen
bewezen kankerverwekkend
D – H300, H310, H330
– H351
– H360, H361, H362
– H372
dodelijk
verdacht kankerverwekkend
reprotoxisch
specifieke doelorgaan toxiciteit bij herhaalde blootstelling
 C – H301, H311, H331
– H314
– H318
– H335
– H373
giftig
bijtend
ernstige oogschade
irriterend voor de ademhalingswegen
specifieke doelorgaan toxiciteit bij herhaalde blootstelling
 B – H302, H312, H332 schadelijk bij eenmalige blootstelling
 A – H304
– H315, H319
– H336
– EUH066
Stoffen zonder één van deze H-zinnen
aspiratiegevaar
irriterend voor de huid of ogen
narcotische werking
ontvettend

Bij het indelen van een stof geldt dat de H-zin uit de zwaarste categorie (E is de zwaarste, A de lichtste) op het etiket de indeling van de stof of het product bepaalt.

 

Het bepalen van de blootstelling

Het Arbobesluit (artikel 4.2) vereist dat de blootstelling wordt bepaald door:

  • een betrouwbare en kwantitatief onderbouwde schatting; of
  • met behulp van een geschikte meetmethode.

Voor een blootstellingsbeoordeling zal een werkgever ten minste over de volgende gegevens moeten beschikken:

  • de aard van de stof;
  • een analyse van de werkzaamheden met de stof;
  • een representatieve ‘worst case situatie’ waarin met de stof wordt gewerkt;
  • de blootgestelde werknemers;
  • eventuele gecombineerde blootstelling aan verschillende stoffen.

 

Schatten van de blootstelling

Voor een RIE-tox moet een beoordeling gemaakt worden van de blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen. De beste beoordeling vindt plaats met gegevens van een blootstellingsmeting. Voor een eerste beoordeling is het echter verstandig eerst een schatting uit te voeren van de blootstelling. Dat kan door de fysische eigenschappen van een stof te vergelijken met de grenswaarde van de stof.

De fysische eigenschappen van vloeistoffen en vaste stoffen kunnen zodanig zijn dat verspreiding van deze stoffen in de lucht niet waarschijnlijk is:

  • Als de vluchtigheid van een vloeistof laag is (< 5 mbar) en de grenswaarde relatief hoog (> 300 mg/m3), is de kans op overschrijding van de grenswaarde klein.
  • Als een vaste stof niet poedervormig is en de grenswaarde relatief hoog (> 300 mg/m3), is de kans op overschrijding van de grenswaarde klein.
  • Als de vluchtigheid of de stoffigheid van stoffen juist hoog is bij lage grenswaarden (< 100 mg/m3), mag een werkgever veronderstellen dat deze grenswaarden worden overschreden en dat maatregelen moeten worden genomen.
  • Als de fysische eigenschappen minder duidelijk wijzen op een zeer lage of zeer hoge blootstelling, zal een deskundige een schatting kunnen maken. Hoe dichter de schatting van de blootstelling in de buurt van de grenswaarde ligt, hoe groter de noodzaak voor het meten van de blootstelling is.

Als in een bepaalde situatie metingen zijn verricht, kunnen deze meetresultaten, met de nodige voorzichtigheid, worden vertaald naar andere, vergelijkbare situaties. Dit is bijvoorbeeld het geval als:

  • in een bedrijf verschillende vergelijkbare processen met eenzelfde stof plaatsvinden;
  • bij verschillende bedrijven hetzelfde proces met een stof plaatsvindt.

Als bij een proces verschillende stoffen worden gebruikt, kan een meting worden gedaan voor de stof waarvan de blootstelling in vergelijking met de grenswaarde het grootst zal zijn. De blootstelling aan de andere stoffen kan worden afgeleid uit de eerste meetresultaten.
Het schatten van de blootstelling met de fysische eigenschappen vergt inzicht en deskundigheid in de natuurkunde en scheikunde. Deze kennis zal niet in ieder bedrijf aanwezig zijn. Daarom kan ook gebruikt gemaakt worden van computerprogramma’s die deze deskundigheid automatisch toepassen. Goed voorbeeld van een dergelijke programma is de Stoffenmanager.

Dosis en duur van de blootstelling
De totale hoeveelheid van de stof waaraan het lichaam wordt blootgesteld is de (externe) dosis. De dosis wordt bepaald door de hoogte en de duur van de blootstelling. Zo geeft een blootstelling van 300 mg/m3 aan een stof gedurende tien minuten eenzelfde (externe) dosis als een blootstelling van 50 mg/m3 gedurende een uur. Het schadelijke effect van een stof wordt daarnaast ook bepaald door de hoeveelheid die in het lichaam wordt opgenomen, de interne dosis. Zo kan de opname van een oplosmiddel in de longen van persoon tot persoon verschillen. Het verschil ontstaat door bijvoorbeeld de zwaarte van het werk (hoe meer inspanning, hoe meer zuurstofgebruik, hoe meer verontreinigde lucht in de longen komt), maar ook aanleg: de opname is bij de ene persoon efficiënter dan bij de ander.
De conditie van het lichaam bepaalt ook of de effecten van de stoffen optreden. Mensen met een zwakke gezondheid krijgen vaak eerder klachten. Hetzelfde geldt voor baby’s, jonge kinderen, zwangere vrouwen en bejaarden.
Bij veel gezondheidseffecten moet de hoeveelheid van de stof een drempel overschrijden. Als de blootstelling kleiner is dan die drempel, vindt het effect niet plaats.
Bij kankerverwekkende stoffen is er meestal geen drempelwaarde. Ook de kleinste hoeveelheid kan de kanker veroorzaken. Wel geldt dat naarmate de blootstelling hoger is, de kans op kanker groter is.
Vaak is er een verschil in het effect tussen een hoge blootstelling in een korte tijd en een lage blootstelling gedurende lange tijd. Een zeer hoge blootstelling aan oplosmiddelen als alcohol in een korte tijd (enkele uren) veroorzaakt hoofdpijn, duizeligheid en braakneigingen (acute effecten). Lage blootstelling gedurende veel langere tijd (gedurende maanden of jaren) kan leiden tot slapeloosheid, minder concentratievermogen en dementieklachten (chronische klachten). De totale dosis kan in beide gevallen gelijk zijn.

Het meten van de blootstelling

Bij veel werkprocessen met gevaarlijke stoffen is het maken van een betrouwbare schatting niet mogelijk. Oorzaken daarvoor kunnen zijn:

  • de handelingen met de stof zijn zeer wisselend;
  • de omstandigheden bij het werken met de stof zijn zeer wisselend;
  • de hoeveelheden waarmee gewerkt wordt, zijn zeer wisselend;
  • er is meer dan één stof waaraan de werknemer wordt blootgesteld;
  • de fysisch-chemische eigenschappen zijn niet voldoende bekend (niet volledig of betrouwbaar genoeg) voor een goede schatting.

Indien de blootstelling aan een stof met een grotere betrouwbaarheid vastgesteld moet worden, is een blootstellingsonderzoek met persoonsgebonden luchtmetingen (Personal Air Sampling, PAS-metingen de geëigende werkwijze. Een goed uitgevoerd blootstellingsonderzoek is ook nodig en zinvol, als via schattingen of indicatieve metingen te verwachten is dat de concentratie tussen 10% en 100% van de grenswaarde ligt. Het uitvoeren en het beoordelen van een blootstellingsonderzoek zal in vele gevallen door Arbeidshygiënisten moeten worden uitgevoerd.

In het blootstellingsonderzoek moet een geschikte meetmethode worden gebruikt. De meetmethode moet voldoen aan de prestatie-eisen zoals die in NEN-EN 482:2006 ‘Werkplekatmosfeer – Algemene eisen voor de uitvoering van de procedures voor het meten van chemische stoffen’ zijn vermeld. De meetmethode moet zo veel mogelijk specifiek en selectief zijn voor de te meten stof. Ook moet het meetbereik van de meetmethode tussen 10% en 300% van de grenswaarde liggen. Daarnaast zijn eisen gesteld aan de nauwkeurigheid van de methode.

Verschillende meetmethoden

Voor het bepalen van de blootstelling aan een stof zijn verschillende methoden beschikbaar met verschillende meetstrategieën en meetmethoden. Iedere meetstrategie en meetmethode heeft sterke en zwakke kanten. In een strategie om de blootstelling van werknemers aan een stof vast te stellen, kunnen verschillende meetmethoden worden gebruikt. De keuze voor een methode is afhankelijk van de noodzakelijke nauwkeurigheid van het onderzoek, en de besteedbare tijd en middelen.

Onderscheid wordt gemaakt in een viertal methoden.

  • Bronzoeken: Het zoeken naar bronnen waar dampen of gassen vrijkomen, met direct afleesbare meetapparatuur.
  • Omgevingsmetingen: Het meten van de concentratie van een gas of damp op een vaste plek in de ruimte. In sommige bedrijven is hiervoor vaste meetapparatuur geïnstalleerd.
  • Persoonsgebonden metingen (Personal Air Sampling).
  • Biologische (effect) monitoring.

Voor het meten van blootstelling van werknemers zijn alleen de laatste twee methoden (PAS-metingen en biologische monitoring) toegestaan. Deze twee methoden worden dan ook nader beschreven. Het meten van de blootstelling vereist een grote mate van deskundigheid. Een werkgever zal hiervoor al snel de hulp inroepen van een Arbeidshygiënist. In deze paragraaf zijn de verschillende meetmethoden kort beschreven om inzicht te krijgen in de meetmethoden die kunnen worden gebruikt.

PAS-metingen
PAS staat voor ‘personal air sampling’. Bij een PAS-meting wordt gedurende een bepaalde tijd (bij voorkeur een werkdag) bij de blootgestelde werknemer een luchtmonster genomen van de lucht die hij inademt. Dit wordt ook wel een persoonsgebonden meting genoemd.

Over het algemeen wordt er lucht met een gekalibreerde pomp door een medium gezogen welke zich in de ademzone van de medewerker bevindt. Achteraf wordt de hoeveelheid van de te meten stof op het filter in een laboratorium bepaald. PAS-metingen moeten altijd door deskundigen (bijvoorbeeld van een arbodienst) worden uitgevoerd.

Deze methode geeft een goede weergave van de concentratie van de gevaarlijke stof in de ingeademde lucht. In de praktijk blijkt dat de met PAS-metingen gemeten concentraties bij verschillende werknemers grote spreidingen geven. Meestal wordt deze spreiding veroorzaakt door verschillen in het soort werk en vooral ook in de wijze waarop het werk wordt uitgevoerd. Daarom is het belangrijk dat voorafgaand aan de meting nauwkeurig wordt bepaald welke werknemers de grootste blootstelling kunnen hebben. Een PAS-meting moet ook bij meer dan één werknemer worden uitgevoerd om nauwkeurige meetresultaten te verkrijgen.

Voor PAS-metingen bestaan voor veel chemische stoffen gestandaardiseerde protocollen over de monsterneming en de analysetechnieken. In de database op www.dohsbase.nl hebben een aantal arbeidshygiënisten deze protocollen beschreven.

Biologische monitoring
De beste manier om inzicht te krijgen in de blootstelling van een werknemer aan een gevaarlijke stof is om in het lichaam van een blootgestelde werknemer te bepalen hoeveel van de gevaarlijke stof aanwezig is. Dat kan door in de urine, het bloed of in het haar de concentratie van de stof, of de effecten van de stof te meten: biologische monitoring. In de praktijk blijkt dit vaak lastig. Bij veel onderzoeksinstituten probeert men hiervoor nieuwe methoden te ontwikkelen.

Er is een aantal nadelen verbonden aan biologische monitoring:

  • er is toestemming en medewerking nodig van de blootgestelde werknemers om haar, bloed of urine te mogen afnemen;
  • er zijn nog weinig onderzoeksmethoden om stoffen in haar, urine of bloed te meten;
  • stoffen kunnen in het lichaam worden omgezet in andere stoffen: vaak is er nog maar weinig kennis over het lot van de stoffen in het lichaam;
  • de concentraties die gemeten worden zijn laag, wat het analyseren moeilijk maakt en de nauwkeurigheid verkleint;
  • de hoeveelheid van de stof in het lichaam kan zijn opgebouwd in een lange tijd: het is lastig om een relatie te leggen tussen het meetresultaat en de huidige werkzaamheden van de werknemer;
  • er zijn nog maar weinig normen voor de concentraties van stoffen in het lichaam;
  • de blootstelling aan de stof kan ook via bronnen buiten het bedrijf hebben plaatsgevonden.

Deze nadelen zijn er de oorzaak van dat biologische monitoring nog weinig wordt toegepast bij het bepalen van de blootstelling van werknemers aan stoffen.

Wat staat er in de wet?

Artikel 4.2 van het Arbobesluit verplicht om een beoordeling (schatting, meting) te maken van de blootstelling aan alle gevaarlijke stoffen die worden gebruikt. Deze blootstelling moet worden vergeleken met een grenswaarde. Bij te hoge blootstelling moeten er maatregelen genomen worden volgens de Arbeidshygiënische Strategie (verwijzing naar artikel 4.4 Arbobesluit).

Meer informatie