Fenelab
Bent u lid? Login

Suggesties of vragen

Heeft u vragen of suggesties neem contact op met Fenelab.

secretariaat@fenelab.nl

Reprotoxische stoffen

Effecten


Reprotoxische stoffen


ghs08 ghs08
bewezen verdacht

 

Bewezen: H360.
Verdacht: H361.
Schadelijk via borstvoeding: H362.
Stoffen die een schadelijk effect hebben op de voortplanting van mensen, zijn reproductietoxische (of kort reprotoxische) stoffen. Als dit effect bewezen is, hebben deze stoffen H360. Verdacht reprotoxische stoffen krijgen H361. Stoffen die schadelijk zijn via de borstvoeding, krijgen H362.
Er zijn twee verschillende reprotoxische effecten: verminderde vruchtbaarheid van mensen of een effect op het nog niet geboren kind. Het effect op de vruchtbaarheid kan tijdelijk maar ook blijvend zijn. Uit onderzoek van de Universiteit van Wageningen bleek dat onder de bezoekers van voortplantingsklinieken zich relatief veel drukkers, tapijtleggers en schilders bevinden. De relatie tussen deze beroepen en het gebruik van gevaarlijke stoffen (oplosmiddelen) is dan snel gemaakt. Het blijkt dat deze stoffen vooral bij mannen een effect hebben.
Stoffen kunnen ook de nog niet geboren vrucht beschadigen, waarbij het effect het grootst is in de eerste weken na de bevruchting. Bekend zijn natuurlijk de effecten van alcohol en roken. Maar ook veel andere stoffen kunnen dit effect hebben.
SZW publiceert ieder half jaar een (niet limitatieve) lijst met reprotoxische stoffen in de Staatscourant en op www.arboportaal.nl.

 

Wat staat er in de wet?

Artikel 4.2 van het Arbobesluit verplicht om een beoordeling (schatting, meting) te maken van de blootstelling aan alle gevaarlijke stoffen en dus ook van reprotoxische stoffen die worden gebruikt. Voor een aantal reprotoxische stoffen geldt een grenswaarde. Bij te hoge blootstelling moeten er maatregelen genomen worden volgens de Arbeidshygiënische Strategie

(= verwijzing naar artikel 4.4 Arbobesluit).

Voor reprotoxische stoffen geldt ook een uitgebreide registratieverplichting (Arbobesluit artikel 4.2a). Van deze stoffen moeten de volgende aanvullende gegevens worden geregistreerd:

a. de hoeveelheid van de stof die per jaar wordt gebruikt;
b. het aantal werknemers dat kan worden blootgesteld aan de stof;
c. het soort werk dat gedaan wordt met de stof.